Geschiedenis

Op deze pagina bevinden zich twee stukken geschiedenis;

1) Geschiedenis over de kerk van Tienhoven
2) Geschiedenis over Tienhoven

DE KERK VAN TIENHOVEN.



De kerk volgens een gravure uit 1611


Een stukje geschiedenis.

Waarschijnlijk stond er al in de vijftiende eeuw een rooms-katholiek kapelletje in Tienhoven.
In 1361 wordt melding gemaakt van het verpachten van een stuk grond aan de kerk van Maarssen voor het stichten van een kapel.
Tienhoven behoorde dus bij het kerspel Maarssen.
In 1521 richt de kerk van Tienhoven een verzoek aan de bisschop om een eigen geestelijke te mogen hebben en dus een eigen parochie te worden.
De kerk van Maarssen was echter niet enthousiast en dus veranderde er niets tot de reformatie zich aandiende.
Er is een prent van de kerk uit 1611, de kerk zag er toen zeer verwaarloosd uit.
Een prent uit 1722 toont echter een gerestaureerde kerk met een steen met het jaartal 1622, waarschijnlijk is de kerk toen gerestaureerd.
In 1624 kwam er voor het eerst een predikant naar Tienhoven.
Voor die tijd werd er uit de bijbel gelezen door de schoolmeester.
Op enkele borden in de kerk zijn alle namen geschilderd van de predikanten die hier hebben gestaan sinds 1624.
Enkele predikanten hebben grote indruk gemaakt, zoals ds. Schuylenburg.
Hij bleef 50 jaar preken in Tienhoven en genoot groot aanzien, van heinde en verre kwamen mensen naar zijn preken luisteren.
Tot twee keer toe moet de kerk vergroot worden. Uit zijn tijd dateert de lessenaar op de preekstoel (1758).
De avondmaalsbekers zijn geschonken door ds. Walraven en zijn zuster (1703).
Op 9 september 1812 voltrekt zich een vreselijke ramp, door hooibroei ontstaat er brand.
 De kerk, de pastorie, de school en negen andere woningen worden verwoest.
In 1813 wordt de kerk weer herbouwd, men heeft de muren die nog waren blijven staan opgenomen in de herbouwde kerk.
Dat is nog steeds te zien, de oude muren zijn dikker dan de nieuwe.
De klok van 1615, die tijdens de brand naar beneden was gevallen en gebarsten is nog steeds in de kerk te zien.
De ambachtsvrouwe M.E. van Collen legde de eerste steen van de nieuwe kerk.
Vroeger zaten de vrouwen apart van de mannen, in het middengedeelte de vrouwen, in de banken eromheen de mannen.
Ook wordt er bij de herbouw de bank (balkon) voor de ambachtsheer in de kerk geplaatst.
In 1844 huwt jonkvrouwe J.M.E. van Collen met de heer Daniël Willink, het wapen op deze bank wordt dan aangepast en de familienaam wordt dan Willink van Collen.
In 1818 zijn de drie door jhr. mr. J. Huydecoper van Maarsseveen (vroegere eigenaren van Goudestein, het huidige gemeentehuis van Maarssen) geschonken kandelaren aangebracht in de kerk.
De pastorie werd pas in 1830 herbouwd en in 1967 weer gesloopt en vervangen door de huidige pastorie, die ook weer op de nominatie staat gesloopt en vervangen te worden.
De eerste bewoners van deze pastorie waren ds. Brinkman en zijn zuster, zij schonken in 1876 een avondmaalskan.
Ook ds. Brinkman bleef 50 jaar op zijn post. In 1851 moest de kerk alweer gerestaureerd worden, bij die gelegenheid schonken jhr. en jvr. Huydecoper van Maarsseveen ter gelegenheid van hun 25 jarig huwelijk een zilveren broodschaal, die nog steeds wordt gebruikt bij het heilig avondmaal. Ds. Ulfers, predikant van 1880-1884, werd bekend vanwege het schrijven van het boek "Oostloorn", waarin hij de toestanden en gewoonten van Tienhoven beschrijft.
De eerder genoemde Ds. Brinkman legateert een bedrag, waarvan in 1880 het orgel kan worden aangeschaft.
In 1886 wordt ds. Westerbeek van Eerten predikant, hij wordt de stichter van de Gereformeerde kerk, vanaf 1887 splitst de kerk zich in een hervormd en gereformeerd deel.
In 1888 wordt de gereformeerde kerk gebouwd. De eerste naam was "doolerende gemeente" en ging dus mee met de doleantie, ontketend door ds. Abraham Kuyper, pas later kreeg deze afscheiding de naam Gereformeerd (opnieuw gevormd).
Deze afscheiding was in feite een reactie op de door koning Willem I geïnitieerde nieuwe kerkorde, die de Dordtse kerkorde uit 1618/1619 ging vervangen.
Bij de doleantie keerden de gereformeerden weer terug naar dit oude reglement.
Uit de notulen van de kerkenraad uit die tijd blijkt, dat er veel strijd is gevoerd.
Vanuit de provincie is toen de jonge dominee geschorst samen met enkele ambtsdragers (de heren Loenen en Van der Wilt).
Eerst werd er gekerkt in een stal, daarna kon men al snel de nieuw gebouwde kerk betrekken, ook deze kerk is een aantal keren gerenoveerd.
In 1926 was er nogmaals een afsplitsing, er ontstond namelijk een Gereformeerde kerk in hersteld verband (onder leiding van ds. Smelik), dit naar aanleiding van uitspraken van de Generale synode over de uitleg van enkele bijbelstukken. (zondeval, paradijs).
In 1945 is deze Gereformeerde kerk weer opgegaan in de hervormde kerk.
Vanaf de zeventiger jaren is er gewerkt aan de éénwording van de twee kerken, vooral in het jeugdwerk ontstond een nauwe samenwerking.
Vanaf 2001 is er feitelijk een federatie, deze zal uitmonden in 2004 tot een fusie.
De kerk zal dan Protestantse Kerk Tienhoven heten, tot die tijd wordt de kerk als Verenigde Protestantse Kerk Tienhoven aangeduid.

H.M. Nieman, met dank aan de heer Theo Schouten en mevrouw Lia IJtsma.
Bron : 350 jaar Kerk in Tienhoven (1974).



De kerk volgens een gravure uit 1727.



DE GESCHIEDENIS VAN TIENHOVEN.

In oude tijden was er sprake van een zogenaamd leenstelsel. De (Duitse) keizer gaf gebieden in leen aan bisschoppen, koningen en hertogen, die vervolgens op hun beurt weer gebieden in leen gaven aan lagere edelen en kerken en kloosters.
Rondom Utrecht waren de gebieden in leen gegeven aan de Utrechtse kerken, zo heette Breukelen vroeger Breukelen-St. Pieters (je had overigens ook Breukelen-Nyenrode) en was eigendom van de St.Pieterskerk, Westbroek was eigendom van de Jacobikerk, Kortenhoef van de Mariakerk en Maartensdijk van de St. Maartenskerk (de huidige Domkerk).
Tienhoven behoorde in die tijd tot het Friese graafschap Niftarlake.
Niftar betekende nevens (naast) en lake betekent grens (dit begrip lake, zit onder andere ook in de Lek en de Laak, een beek die de grens vormde tussen Utrecht en Gelderland).
Tot de uitgeleende gebieden aan de kerken werden ook de gebieden gerekend, die afwaterden op de Vecht of omgekeerd (bij hoog water) water van de Vecht opvingen (het was in die tijd nog niet ontgonnen, dat wil zeggen bedijkt en ontwaterd).
Daarom behoorde Breukelerveen bij Breukelen en Maarsseveen bij Maarssen. Maarsseveen is ouder dan Tienhoven, want dat werd reeds in 1174 genoemd en was beleend aan Herman van Maarssen, waarschijnlijk bewoonde hij kasteel ter Meer.
Dit kasteel lag in de bocht van de Vecht, waar nu Julianaweg en Emmaweg zijn gelegen, zeg maar het gebied tussen de Kerkweg en de Vecht.
Tot het gebied van Maarsseveen werd in die tijd ook het huidige Tienhoven gerekend.
Zes december 1243 verkocht deze Herman van Maarsseveen (met goedkeuring van zijn leenheer Otto III, dat was de zoon van Graaf Willem de eerste van Holland), een deel van Maarsseveen aan de St. Pieterskerk te Utrecht. Het gebied had de grootte van Decem Manci, tien hoeven.
Een hoeve was een oppervlakte maat, zoals morgen of hectare, dus het betekende niet dat er tien boerderijen op hebben gestaan.
Het oude doktershuis heette vroeger ook "Decem Mansi" .
Vanuit de hoger gelegen Vechtoever groef men loodrecht op de Vecht vaarten in het ruige veenland.
De uitgekomen grond werd naast de vaart gedeponeerd en vormde een enigszins verhoogde, maar niet al te brede weg.
Op bepaalde afstanden groef men dwarsvaarten, ook weer met een weg bestemd om boerderijen aan te beginnen.
Op die manier ontstonden Achttienhoven, Westbroek, Maarsseveen, Tienhoven en Breukelerveen.
De bijbehorende vaarten (nog steeds voor een groot deel aanwezig) kregen de volgende namen : Kerkeindse vaart, Nedereindse vaart, Maarsseveense vaart, Tienhovense vaart en de vaart langs de Meent, deze is weggeslagen en verdwenen in de Loosdrechtse plassen..
Deze vaart kwam uit bij de rode brug in Breukelerveen en kwam uit bij de Vechtbrug in Breukelen.
De dorpsweg van Tienhoven en Maarsseveen kent geen knik ten gevolge van een dwarsvaart en is dus voor één dorp aangelegd.
Dit dorp is dus door de verkoop in 1243 in tweeën gesplitst.
De genoemde weg heette de Looydijk, de naam Laan van Niftarlake ontstond pas in 1938 toen dat deel van de Looydijk werd bestraat.
Tienhoven heeft veel profijt gehand van deze splitsing, want er was een eigen kerk, gemeentehuis, politiepost en ook dus een straatweg.

De gevangenneming van Graaf Floris V, op de Graaf Florisweg, net buiten Tienhoven (Hollandse Rading) in 1296 heeft de geschiedenis sterk beïnvloed.
Loosdrecht werd in die tijd bestuurd door de heren Van Amstel en Gijsbrecht van Amstel was één van de mensen die tot het gezelschap behoorden, die Graaf Floris gevangennamen en later vermoorden. Loosdrecht werd onderworpen en hoorde vanaf die tijd bij Holland.
De grens tussen Holland en Utrecht loopt om de Loosdrechtse plassen heen en komt uit bij de eendenkooi en loopt vandaar naar Hollandse Rading.

In die oude tijden pachtten edelen, gerechten (lagere rechtsspraak), en de tins en tienden (belastingen) van hun leenheer in de hoop daar natuurlijk beter van te worden.
In 1375 berustte dat bij Wouter van Mijnden (kasteelheer van Mijnden) en vanaf 1385 bij Gijsbrecht van Nijenrode.
Deze ambachtsheren moesten ook het betreffende gebied beschermen en hebben dat tot de Franse overheersing, toen veel van de oude gewoonten werden afgeschaft, met verve gedaan.
De grens tussen Utrecht en Holland mocht in tijden van oorlog absoluut niet overschreden worden, behalve wanneer vee teruggehaald moest worden.
Vanwege het feit dat Tienhoven op de grens lag, waren er waarschijnlijk over en weer allerlei kleine schermutselingen.
Bekend is het voorval dat Philips van Bourgondië (ook Graaf van Holland) een deurwaarder stuurde die zware bedreigingen uitte tegen de dorpen waar de zogenaamde veensaters (veendieven) woonden.
De grensplaatsjes hadden het soms heel moeilijk, zo is Westbroek in brand gestoken door Hollanders, nadat de Utrechters Naarden in de brand hadden gestoken.
Ook een bedreiging waren de vele wolven in dit gebied, grote klopjachten werden georganiseerd om het aantal wolven te beperken.
Na het vertrek van de Spanjaarden, sloot ook deze omgeving zich bij de Hervorming aan. In 1624 werd een aparte kerkelijke gemeente gevormd.
Voor die tijd schijnt er een Rooms Katholieke Kerk (kapel) te hebben gestaan.
In het rampjaar 1672 vielen de Fransen Nederland binnen en verwoestten vele kastelen, zoals Huis ter Meer (Maarssen), Nijenrode, Gunterstein en Kronenburg (Loenen).
De verwoeste ruïne van Gunterstein werd in 1680 gekocht door Vrouwe Magdalena Poulle uit de nalatenschap van E. Ploos van Amstel.
Daarmee werd zij ook ambachtsvrouwe van Tienhoven. Via vererving kwam daarna Gunterstein in bezit van de familie van Collen.
Ferdinand van Collen was behalve ambachtsheer van Tienhoven ook burgemeester van Amsterdam.
De ambachtsheer had veel medezeggenschap in de kerkelijke aangelegenheden van Tienhoven, de andere partij die zeggenschap had was de Pieterskerk.
Zij benoemden bijvoorbeeld om beurten de koster annex doodgraver. De benoeming van de schoolmeester was ook een zaak van de ambachtsheer.
In 1795 werd door de Fransen de rechten van de ambachtsheer aan hem ontnomen.
Er kwam toen een Maire aan het hoofd van de gemeente te staan.
Veel commotie was er tijdens de Franse bezetting over de kosten van de inkwartiering van Franse militairen.
In 1812 voltrok zich een drama in het dorp, want op 9 september 1812 veroorzaakte hooibroei een grote brand, waardoor kerk, pastorie en negen woningen verbrandden.
De ambachtsvrouwe M.E. van Collen legde de eerste steen voor de nieuwe kerk.
Helemaal nieuw was de kerk niet, want enkele niet verwoeste delen van de oude kerk zijn opgenomen in de nieuwe kerk.
Dit is nog te zien aan het verschil in de muurdikte.
De familie van Collen wilde bijdragen in de restauratie, maar dan moet het tegenoverliggende café (Het olde Regthuys) wel op zondag zijn deuren sluiten, tot voor enkele jaren is dat zo gebleven.
In 1851 werd de kerk gerestaureerd, ook nu weer met flinke steun van de familie Willink van Collen. In 1840 werd de (wip)molen aan de Dwarsdijk gebouwd.
Een zeer belangrijke gebeurtenis was de drooglegging van de Bethenepolder (groot 500 ha.) in 1874.
Deze drooglegging had zeer grote betekenis voor Tienhoven, het aantal inwoners steeg van ca. 250 (in 1822) naar ca. 600 (in 1946).
Markies de Béthune, één van de financiers van de droogmakerij was de naamgever.
Nadien kwam de polder in eigendom van de heer Van Vloten uit Maarssen.
De lasten van de bemaling werden later fors teruggebracht doordat de Amsterdamse Waterleiding haar drinkwater uit deze polder haalt.
Een laatste grote gebeurtenis voor Tienhoven was de evacuatie in 1940 van het dorp vanwege de onderwaterzetting (inundatie) van de Hollandse waterlinie.
Het dorp is toen op 14 mei 1940 geëvacueerd naar het Noord-Hollandse Twisk.
Na de snelle capitulatie van het Nederlandse keerde de bevolking weer terug op 20 mei.
De pompen van het gemaal werden weer snel aangezet, zodat de schade beperkt is gebleven.
Tijdens de tweede wereldoorlog zochten er vele onderduikers in het gebied een schuilplaats.
Toen er in de winter van 1945 ijs lag bleek de camouflage beperkt, tijdens een grote razzia zijn er zeven onderduikers gegrepen, gelukkig hebben zij de oorlog overleefd.
Aan het eind van de oorlog bliezen de Duitsers de dijk tussen de Bethunepolder en het Tienhovenskanaal op, daardoor liep de polder snel vol, het water bereikte een hoogte van anderhalf tot twee meter boven maaiveld. Enkele maanden na de bevrijding (en na het herstel van de dijken) heeft het gemaal de polder in drie weken weer drooggemalen.

Tienhoven is tot augustus 1957 een zelfstandige gemeente gebleven, daarna werd zij een onderdeel van de gemeente Maarssen.
De gemeente Maarssen was in 1949 ontstaan door een samengaan van Maarssen en Maarsseveen (inclusief Nieuw- en Oud-Maarsseveen).
Het gemeentehuis van Tienhoven (ongeveer tegenover de oude Hervormde Kerk) is toen gesloopt en er is een rijtje huizen voor in de plaats gekomen.
Door vererving kwam Gunterstein in bezit van de fam. Quarles van Ufford. Gunterstein wordt nu beheerd door een stichting, die er op toeziet dat het in de oude staat bewaard blijft.
De huidige jonkheer toont nog steeds bij belangrijke gebeurtenissen zijn belangstelling, hoewel er van de oude "rechten" natuurlijk niets meer over is.
In het dorp zijn nog steeds vele gebouwen die herinneren aan vroegere tijden, zoals de hervormde kerk, de molen aan de Dwarsdijk en enkele oude boerderijen.
Tienhoven kent een actief dorpsleven, aangevoerd door de harmonie Soli Deo Gloria en de voetbalvereniging VIOD.
Ook zijn er verschillende dorpsgenoten die de geschiedenis levend houden door hun verzamelingen regelmatig te tonen aan belangstellenden.
Er is zelfs een heus schaatsmuseum.
Eén keer per jaar (eind september) is iedereen actief (onder het motto Tienhoven bekent kleur) en zijn alle verzamelingen en exposities te bezichtigen.
Tienhoven is gelegen middenin het zogenaamde Noorderpark.
Dit groene gebied wordt een steeds belangrijker recreatiegebied voor Utrecht en omstreken.
Door bescherming van kwetsbare gebieden, zoals de Tienhovense plassen door de vereniging Natuurmonumenten en Staats Bosbeheer hopen we dat dit mooie gebied ook voor ons nageslacht behouden blijft.

Informatie te verkrijgen bij:
De heer Theo Schouten 0346-281348

H.M. Nieman, met dank aan de heer Theo Schouten.
bron : Zeven eeuwen Tienhoven (1946)